Recent toegevoegde artikel(en)
  • Product
  • Aantal
  • Prijs
  1. Er bevinden zich geen producten in je winkelwagen
Wijzig winkelwagen
Eindtotaal 0.-
Subtotaal (inclusief BTW) 0.-
BTW (%) 0.-
  • Formido KlusZo folder
  • Schroevendraaier
  • Combinatietang
  • Spanningzoeker
  • Striptang
  • Snoerschakelaar
  • Verlengsnoer

Altijd handig bij deze klus!

Verlichting

De Klushulppagina Verlichting beschrijft waar je rekening mee dient te houden als je met verlichting aan de gang gaat. Zo tref je hier een aantal tips, een 'Altijd handig lijstje' met niet te vergeten producten en KlusZo folders met een volledige beschrijving aan. Zo bereid je iedere verlichtingsklus goed voor.

 

Informatie over zuiniger verlichten

  • TL-verlichting

Ruimtes waar veel en goed licht nodig is worden onveranderd verlicht met TL-buizen. Daarvoor zijn een drietal goede redenen. De eerste is zuinigheid. Tl lampen besparen fors op uw energierekening. Deze besparing kan oplopen tot 80%. De tweede reden is dat TL lampen veel meer licht geven. Door het relatief groot lichtgevende oppervlak van een Tl buis ontstaat een betere lichtspreiding. U ziet geen zware schaduwen, waardoor uw ogen minder snel vermoeid raken. U krijgt dus veel meer licht voor uw geld. Een derde reden is de levensduur. Een TL lamp gaat veel langer mee dan een normale gloeilamp (8 x!!).

  • TL-problemen?

Soms wil een buis niet branden: hij flikkert aan en uit of alleen de uiteinden gloeien op. Er is dan iets mis met de z.g. starter of de buis moet vervangen worden. U kunt zien wat het probleem is. Licht de buis roodachtig op, dan is de starter defect. Is het licht witachtig, dan is de buis de schuldige. De starter is het kunststof busje dat uit de afdekkap steekt. Druk het iets in, draai het naar links en de starter valt in uw hand. De nieuwe steekt u in de opening, licht drukken en rechtsom draaien tot hij niet verder wil. Om de buis te vervangen draait u deze een kwart slag over de lengte-as en hij glijdt uit de lamphouders. Schuif de pennen van de nieuwe buis in de lamphouders, druk de buis omhoog en draai weer een kwart slag. Overigens is het verstandig altijd de buis èn de starter te vervangen (afbeelding 1).

  • Kil licht?

Koopt u een TL-buis let dan eens op de verpakking waarop het z.g. kleurnummer staat. De lichtkleuren 29 (warm wit) en 33 (koel) zijn een indicatie voor de kleurtemperatuur van de TL buis. Echter de kleurweergave van deze buizen is matig. Dit betekent dat u kleuren anders interpreteert (kleurverlies!) dan bij daglicht. Daarom is het advies om een TL lamp te kopen die wél een goede kleurweergave garandeert. Dit zijn de buizen uit de zogenaamde 80 serie (82 - 83 - 84).

Verder is de stelregel; hoe hoger het nummer hoe witter het licht. Een Tl lamp met de lichtkleur 82 of 29 heeft een warme uitstraling. De lichtkleuren 83 - 84 of 33 zijn de koelere kleuren.

  • Tip

Lampen uit de 80 serie worden veelal toegepast in omgevingen waar kwaliteitslicht vereist is. Dit zijn; keuken, woonkamer of werkruimte.

Spaarlampen

Een spaarlamp (afbeelding 2) is in feite een mini TL-buis met ingebouwde starter. De naam spaarlamp is terecht, al was het maar omdat zo’n lamp ± 6000 branduren heeft tegen ± 1000 branduren voor een gloeilamp. Zeker zo belangrijk: een spaarlamp neemt bijzonder weinig stroom, maar geeft ongekend veel licht. Rekent u maar even mee. Bovengenoemde spaarlamp (bijvoorbeeld een Ambiance 20 watt lamp) brandt 6.000 uur. In totaal is het verbruik 120 kilowatt. Een 20 watt Ambiance spaarlamp is vergelijkbaar met een 100 watt gloeilamp. Deze brandt echter maar 1.000 uur. In deze 1.000 uur verbruikt de gloeilamp echter 100 kilowatt. De besparing kan alleen berekend worden als we het aantal branduren vergelijken.

Dit betekent dat we de spaarlamp gaan vergelijken met zes gloeilampen. Onderstaand rekenen we u graag voor wat uw besparing is:

6 x 100 watt gloeilampen
1 spaarlamp 20 watt

Stroomverbruik:
6.000 uur x 100 watt = 600 Kwh
6.000 uur x 20 watt = 120 Kwh

Stroomkosten:
600 x 0,15 eurocent = € 90
120 x 0,15 eurocent= € 18

Aanschafkosten:
6 gloeilampen = € 3
1 spaarlamp = € 11

Totaal:
€ 93
€ 29

Dit is zomaar een rekenvoorbeeld. Bovenstaande spaarlamp bespaart u maar liefst e 64 en is bovendien veel milieuvriendelijker. De nieuwe typen spaarlampen produceren bovendien nog meer licht en zijn kleiner en lichter. Daardoor kunnen spaarlampen bijna in alle typen armaturen worden toegepast. Een spaarlamp is niet duur, een spaarlamp is spotgoedkoop!

  • Halogeenverlichting

Wat het meeste opvalt bij halogeen is dat een klein lampje dat op zwakstroom brandt (6, 12 of 24 volt), zo’n zee van licht geeft (afbeelding 3). Een lampje van 50 watt op 12 volt, geeft net zoveel licht als een 100 W lamp op netspanning. Zo’n klein lampje is bovendien goed voor zo’n 2000 branduren. (afbeelding 3).

  • Tip 1

Raak het lampje nooit aan met de handen. Daar de lamp-jes zeer heet worden (250 OC) branden vingerafdrukken in het glas met als gevolg minder licht. Hebt u het lampje toch aangeraakt, maak het dan schoon met spiritus. Hetzelfde geldt voor de reflector (afbeelding 4).

  • Tip 2

Ook halogeenlicht kunt u dimmen met een speciale halogeendimmer die vóór de transformator, dus in de 220 V leiding, wordt gemonteerd. Door de lamp langdurig te dimmen brandt deze zwart waardoor de lichtopbrengst en de levensduur teruglopen. Voorkom dit door de lamp van tijd tot tijd een paar minuten op volle sterkte te laten branden. De zwarte aanslag verdwijnt, de levensduur wordt niet merkbaar bekort (afbeelding 5).

  • Tip 3

Installeert u zelf halogeenlicht, zet de transformator dan altijd zo dicht mogelijk (nooit verder dan 4 m.) bij de spots. Gebruik voor de verbinding tussen de trafo en de spots normaal installatiedraad (VD-draad) van 2,5 mm2.

  • Tip 4

Halogeenlampjes zijn zeer gevoelig voor spanningsvariaties die de levensduur sterk bekorten. Om de netspanning te verlagen worden daarom speciale trafo’s toegepast die bovendien beveiligd zijn tegen kortsluiting. Let altijd op het vermogen van de trafo, uitgedrukt in VA (voltampère oftewel watt). Zo hoort bij een set van drie 50 watt spotjes een trafo van 160 VA. Sluit er nooit een vierde spot op aan en brandt een lampje door, vervang dit dan zo snel mogelijk.

Drie aansluitmogelijkheden

 Via een ruim inbouwgat blijft de trafo van een inbouwspot bereikbaar (afbeelding 6).

Voor insteeksystemen is er maar een minimum aan inbouw ruimte nodig (afbeelding 7).

Een halogeenarmatuur met ingebouwde trafo kan in een bestaand lichtpunt gestoken worden (afbeelding 8).

  • Zaklantaarn

Weet u dat voor zaklantaarns ook halogeenlampjes bestaan? Ze geven veel meer licht dan gewone.

  • Niet schudden met een gloeilamp

Weigert een gewone gloeilamp, schud de lamp dan niet om te horen of deze defect is. Door hem te schudden kan de lamp defect raken. Houd de lamp met de bovenkant tegen het licht en kijk langs de lampvoet of de gloeidraad nog in orde is.

  • Vast in de fitting

Soms zit een defecte lamp zo vast in de fitting dat u hem onmogelijk los kunt draaien. Schakel dan de stroom uit, stulp een plastic zak over de lamp en sla het glas stuk. Draai de lampvoet los met een tang.

  • Serieschakeling

Een serieschakeling nooit voor halogeenverlichting gebruiken. (afbeelding 9).
  • Parallelschakeling

Steraansluiting als parallelschakeling. (afbeelding 10).
  • Parallelschakeling

Ringaansluiting als parallelschakeling. (afbeelding 11).

 

 

Informatie over elektriciteit

  • Wat is elektriciteit

De stroom die ons huis binnenkomt heeft een spanning van 230 volt (V). Alle elektrische aparaten verbruiken stroom die we uitdrukken in Watt (W). Het totale stroomverbruik van de diverse apparaten drukken we uit in Ampère (A). Door het wattage te delen door de voltage, weten we hoeveel ampère we nodig hebben. Een lamp van 60 watt heeft dus een ampèrage van 0.26 (60 W: 230 V).

Dat ampèrage is van belang om uit te kunnen rekenen hoeveel apparaten en/of lampen u tegelijkertijd kunt inschakelen als ze op dezelfde groep zitten. Aan de kleur van de zekering kunt u zien welk ampèrage de groep aan kan.
Een groene zekering = 6 ampère;
Een rode zekering = 10 ampère;
Een grijze zekering = 16 ampère.

Aan de hand van het ampèrage van de zekering kunt u ook uitrekenen hoe groot het maximale vermogen in Watt is voor een bepaalde groep. Voor de groene zekering is dat
6 (Ampère) x 230 (Volt) is 1380 (Watt). Als u zoveel apparaten en/of lampen tegelijkertijd aan hebt dat het totale vermogen meer is dan 1380 Watt, slaat de stop door.

  • Zo werkt de elektrische installatie in uw huis

Uw energiebedrijf brengt de elektriciteit van buitenaf naar binnen, naar uw meterkast. Deze bestaat uit verschillende onderdelen (van beneden naar boven) (afbeelding 1).

1. In het onderste verzegelde deel van de meterkast zitten de hoofdzekeringen. Die mogen alleen bewerkt worden door medewerkers van het energiebedrijf, u mag het zegel dan ook nooit verbreken.

2. Ook de elektriciteitsmeter is door het energiebedrijf verzegeld. Dit om te voorkomen dat eraan gerommeld wordt, zodat de meter niet meer nauwkeurig het verbruik meet. Ook aan de elektriciteitsmeter mogen alleen medewerkers van of namens het energiebedrijf werken.

3. In de verdeelkast wordt de stroomtoevoer gesplitst in groepen. Daarmee wordt voorkomen dat alle elektriciteit uitvalt als u het systeem overbelast, of als er kortsluiting optreedt. Nu is het zo dat alleen de zekering van de betreffende groep doorbrandt, de andere groepen blijven normaal gesproken gewoon werken. Op de verdeelkast zitten schakelaars waarmee u elke groep apart kunt in- of uitschakelen.

4. De aardlekschakelaar houdt in de gaten of er in uw elektriciteitscircuit stroomverlies optreedt. Als dat het geval is, schakelt deze schakelaar de aangesloten groepen in het hele huis onmiddellijk uit.

  • Zo werkt u veilig met elektriciteit

Zoals u waarschijnlijk wel weet, kàn elektriciteit gevaarlijk zijn. Een stroomstoot is op z’n minst onprettig. Het is dus van enorm belang dat u voorzichtig doet als u met elektra aan de slag gaat. Wij adviseren u bovendien om zelf alleen klein onderhoud te plegen en vrij eenvoudige veranderingen aan te brengen, voor grotere klussen is de (erkende) installateur het juiste adres, want voor het werken aan een elektrische installatie geldt, dat U zich altijd dient te houden aan de wettelijke voorschriften en de voorschriften van uw energiebedrijf.

1. Oefen eerst een keer ”droog”. Maak vooraf een tekening en ga nog voordat u de werkzaamheden aanvangt, even na hoe de draden lopen, welke kleuren met elkaar verbonden moeten worden en wat de volgorde van de werkzaamheden moet zijn.

2. Schakel in de meterkast in ieder geval de elektriciteit uit van de groep waaraan u gaat werken. Hebt u een automatische stop, dan zet u de schakelaar om, hebt u een gewone stop, dan kunt u die het beste helemaal eruit draaien. Probeer even of de elektr citeit inderdaad uitgeschakeld is, door een lamp of iets dergelijks even aan te zetten die op dezelfde groep zit. Als het goed is, doet deze lamp het nu niet.

3. Een belangrijke voorzorgsmaatregel is het gebruiken van niet-geleidende materialen. Schoenen met rubber zolen geleiden de stroom niet als u toch een stroomstoot zou krijgen. Datzelfde geldt voor goed geïsoleerd gereedschap. En, houd water ver uit de buurt van de werkzaamheden. Ga niet op een natte ondergrond staan en zorg ervoor dat u zelf niet nat bent.

4. Als u een trap nodig hebt, zet die dan stabiel neer en ga zo hoog staan dat u makkelijk bij de plaats kunt waar u de werkzaamheden moet uitvoeren.

  • De draden

In de elektrische installatie worden vier kleuren draad gebruikt:
Bruin - Aanvoerdraad (fase)
Blauw - Afvoerdraad (nulleiding)
Zwart - Schakeldraad (na schakelaars en tussen schakelaar en lamp)
Geel/groen - Aarddraad

Bij oude installaties kunt u nog te maken krijgen met de ”oude” kleuren:
Groen - Aanvoerdraad
Rood - Afvoerdraad
Grijs - Aarddraad.

  • De leidingen

Normaal gesproken bestaan de inpandige leidingen uit ronde kunststof buizen met een diameter van 16 mm. Daar lopen de draden dan doorheen. Als de leidingen in de muur zijn weggewerkt, noemen we ze inbouwleidingen, als ze op de muren zijn aangebracht, spreken we van opbouwleidingen. Een andere soort opbouwleiding is het platte-buissysteem. De draden lopen in dat systeem in een kabelkoker die op zijn beurt weer is gekoppeld aan een platte holle plint.

  • Lasdozen, sokken en schakelaars

 Als u ronde buizen gebruikt als opbouwleiding heeft u beugels nodig. Daarmee zet u de buizen om de 40 cm vast op de muur. Verder hebt u zowel voor opbouw- als voor inbouwleidingen natuurlijk lasdozen, sokken, schakelaars en stopcontacten nodig, ook deze zijn verkrijgbaar als opbouw of inbouw. Lasdozen zijn nodig om de aftakkingen te kunnen maken, sokken om de buizen aan elkaar te kunnen koppelen, en schakelaars en stopcontacten om de lamp of het apparaat aan en uit te kunnen zetten.


Er zijn vier verschillende lasdozen:
In een centraaldoos (afbeelding 2) maakt u op een centrale plaats de verbinding naar alle lampen, stopcontacten en schakelaars. Een trekdoos (afbeelding 3) gebruikt u voor het trekken van installatiedraad en het maken van zogenaamde doorverbindingslassen. Een T-doos (afbeelding 4) bevat een T-splitsing. Daarmee kunt u aftakken naar een stopkontakt of een schakelaar. Een vork- of gaffeldoos (afbeelding 5) gaat nog een stap verder dan de T-doos: u kunt hiermee aftakken naar twee stopcontacten of schakelaars. Deze dozen zijn ook allemaal in de inbouwvariant verkrijgbaar.

  • Bochten buigen

Als u niet met flexibele buis werkt, kunt toch zelf bochten in de buis maken. Daarbij is het natuurlijk van belang om de buis ook in de buiging hol te houden. Daarvoor hebt u een buigveer nodig. Aan het ene uiteinde van de buigveer bindt u een draad. Die moet zo lang zijn dat hij uit de buis blijft hangen, zodat u de buigveer na gebruik weer uit de buis kunt halen.
Gebruikt u wel flexibele buis, dan moet u de beugels waarmee u de buis vast zet op de muur, wat dichter bij elkaar plaatsen dan bij niet-flexibele buis. Bijvoorbeeld op een onderlinge afstand van 30 cm.

  • Draden trekken

 Als u eenmaal de bochten gebogen hebt, kunt u de draden door de buizen gaan leggen. Dat doet u met een trekveer (afbeelding 6). De draden die door de buis heen moeten, bindt u aan het oog dat aan het uiteinde van de trekveer zit. Dat doet u nadat u een stukje van het omhulsel van de draad hebt ”weggestript” met een striptang. Draai de ”blote” einden van de draden aan elkaar en haal ze door het oog van de trekveer.


Nu voert u eerst de trekveer door de buis en daarmee dus ook de draden. Zorg ervoor dat u overal waar u draden aan elkaar moet maken (moet ”lassen”), voldoende draad laat uitsteken. Ook op alle andere plaatsen legt u de draden lekker ruim, zodat u nog eens kunt veranderen, zonder dat u er extra werk aan hebt.

  • Draden lassen

 Om een draad af te takken kunt u lasklemmen of lasdoppen gebruiken. Een lasklem is plat, een lasdop is rond (afbeelding 7). Bij beide is het van belang dat er alleen maar ”afgestripte draad” in zit, er mag dus geen ”afgestripte draad” uit de lasdop of lasklem steken. Daarom haalt u van de draden die u in de lasklem wilt zetten ongeveer een centimeter isolatie weg, maar als u ze in een lasdop wilt zetten moet dat wat meer zijn. Dan moet u namelijk de ”afgestripte draden” in elkaar draaien voordat u ze in de lasdop voert en dat kost millimeters. Let op! Altijd kleur aan kleur! Hebt u teveel ”afgestripte” draad; knip dan het overbodige deel weg met een zijsnijtang.
  • Opbouwsysteem uitbreiden

 Ons voorbeeld: in de woonkamer willen we een extra leiding aanbrengen, om er extra stopcontacten op te kunnen zetten. U zult zien dat de klus die u wilt uitvoeren, te

vergelijken is met deze uitbreiding. Let op: we gaan er vanuit dat u de stroom al hebt uitgeschakeld!

1. Verwijder het stopcontact en vervang het door een lasdoos met een montageplaat waarop u het stopcontact kunt monteren.

2. Bevestig de kunststof buis tegen de muur met behulp van de beugels die u om de 40 cm plaatst. Let op: bij de lasdoos en bij het stopcontact een extra beugel op 10 cm!
(afbeelding 8).

3. Voer met behulp van de trekveer de nieuwe draden door de buis en sluit ze aan op het stopcontact, schakelaar en lichtpunt. Bruine draad naar schakelaar en met blauwe draad naar lichtpunt. Van de schakelaar naar het lichtpunt komt de zwarte draad.

4. Verbind de draden van dezelfde kleur in de lasdoos met een lasklem. Vervolgens vanuit elke lasdoos één stuk draad voor het stopcontact (afbeelding 9).

  • Inbouwsysteem uitbreiden

 We gaan uit van hetzelfde voorbeeld als voor het opbouwsysteem.

1. Schroef het stopcontact los.

2. Plaats de kunststof buis in de muur. Sla op regelmatige afstanden van elkaar spijkers naast de buis in de muur en buig die over de buis heen, daarmee kan hij niet meer weg (afbeelding 10). Vooraf hebt u natuurlijk sleuven uitgefreesd, exact tot de plaats waar het stopcontact moet komen.

3. Vul de sleuven met een vulmiddel en zet daarmee ook de dozen vast in het gat in de muur.

4. Voer met behulp van de trekveer de nieuwe draden door de buis en sluit ze aan op het stopcontact en op de lasdoos (afbeelding 11).

  • Stopcontact vervangen

Als u een stopcontact vervangt, kunt u gewoon gebruik maken van dezelfde schroeven en schroefgaten. Evenals bij het oude stopcontact, moeten de blauwe en bruine draden vastgezet worden onder de contactschroeven. Buig daarvoor een lusje in de ”afgestripte draad” en sla dat lusje om de schroef heen. Zorg ervoor dat u de schroef goed vastdraait, een los contact is gevaarlijk omdat er vonken over kunnen springen van draad naar schroef. Tenslotte schroeft u het binnenwerk van het nieuwe stopcontact vast.

Vervangt u een geaard stopcontact, dan moet u ook nog even de groen/gele aarddraad vastzetten aan het contact gemerkt met het aarde-teken.

  • Schakelaar vervangen

U gaat te werk als bij het vervangen van een stopcontact, maar nu moet u de bruine draad (of de groene als het om een oude installatie gaat) in het gaatje onder de rode pal steken. De zwarte draad steekt u in het gaatje onder de grijze pal. Om de draden weer los te maken, drukt u op de pal. Er is ook schakelmateriaal dat is uitgevoerd met schroefklemmen i.p.v. verende pallen.
Een combinatie van schakelaar en stopcontact vergt een extra handeling: u verbindt het rode contact met bruine draad met een contactschroef van het stopcontact. De blauwe draad plaatst u onder de andere schroef van het stopcontact.

  • Dubbele (serie-)schakelaar vervangen

Een dubbele (serie-)schakelaar wordt aangesloten met twee zwarte draden en één bruine draad. U bevestigt de bruine draad aan de fase (rode contact of P of L) en de twee zwarte draden aan de contacten die er tegenover liggen.

  • Hotelschakelaar vervangen

7In een hotelschakeling worden 2 gelijke (wissel)schakelaars gebruikt om één lichtpunt te kunnen bedienen, zoals bijv. in de hal. De eerste schakelaar wordt aangesloten met de bruine draad aan de fase (rode contact of P of L) en met de 2 zwarte draden aan de 2 andere (grijze) contacten. Deze 2 zwarte draden maken de verbinding met de tweede schakelaar. De tweede schakelaar heeft 3 zwarte draden. De zwarte draad die op de fase (rode contact of P of L) is aangesloten, gaat naar de lamp. De overige 2 zwarte draden, die op de andere (grijze) contacten worden aangesloten, maken de verbinding met de eerste schakelaar.

Wanneer u deze tweede schakelaar gaat vervangen, merk dan de zwarte draad die op de fase is aangesloten met een stukje tape. Zo weet u precies welke zwarte draad u in de nieuwe schakelaar ook weer op de fase moet aansluiten.

Installatie A of B

 Omdat de combinatie van water en elektriciteit gevaarlijk kan zijn, bestaat er een aantal richtlijnen voor elektra in badkamers en douches en dergelijke. De energiebedrijven gaan daarbij uit van twee opties: natte ruimten met aardlekschakelaar (installatie B) of zonder aardlekschakelaar (installatie A).


Als de groep waarop uw badkamer is aangesloten niet beveiligd is door een aardlekschakelaar, zijn stopcontacten in de badkamer verboden. Een uitzondering hierop vormt het speciale scheerstopcontact. U mag een lichtschakelaar aanbrengen, als dit een hooggeplaatste trekschakelaar is. Andere schakelaars en dimmers moet u buiten de badkamer aanbrengen. De lichtarmaturen die u gebruikt, moeten waterdicht zijn en geaard of dubbel geïsoleerd. U mag zowel halogeenlampen als gewone spots gebruiken, mits deze branden op een 24-volts transformator die u buiten de badkamer plaatst.

Als de groep waarop uw badkamer is aangesloten wel beveiligd is door een aardlekschakelaar, gaat het energiebedrijf uit van een zone-indeling (afbeelding 12). In de zones 0, 1 en 2 mag niets op het gebied van elektra aangebracht worden. In de resterende ruimte (zone 3) mag u wel schakelaars, stopcontacten en verlichting plaatsen (dus ook halogeenlampen en dimmers).

  • Hanglamp ophangen

 Voor een hanglamp hebt u geen extra hulpmiddelen nodig. Op de centraaldoos waaraan u de hanglamp wilt ophangen, zit een montagedeksel. Dat maakt u los en dan gaat u als volgt te werk.

1. Maak de zwarte schakeldraad via een lasdop langer en tak de blauwe draad af (afbeelding 13).

2. Steek beide draden door de draaddoorvoer in het montagedeksel en zet dat deksel weer vast op de doos (afbeelding 14).

3. Neem het haakje van het montagedeksel, steek het door de opening in het midden en draai hem een kwartslag (afbeelding 15).

4. Strip ongeveer een centimeter van de uitstekende draden af en zet er een kroonsteentje op.

5. Steek de draden van de lamp door een trek-ontlaster en hang de trekontlaster aan het haakje dat uit het montagedeksel steekt (afbeelding 16).

6. Zet de draden van de lamp ook op het kroonsteentje (zwart aan bruin, blauw aan blauw) en schuif de plafondkap tegen het plafond.

  • TL-balk ophangen

Nadat u de TL-lamp verwijderd hebt door hem een kwart slag te draaien en naar u toe te halen, kunt u de kap van de TL-balk halen. Die balk zet u als volgt vast.

1. Schroef de balk op de goede plaats.

2. Zet de draden van de balk vast aan de draden uit de centraaldoos, met behulp van een kroonsteentje. Ook hier geldt: zwart aan bruin, blauw aan blauw.

3. Heeft de TL-balk een metalen kap dan dient u deze te aarden.

4. Zet tot slot de TL-balk weer in elkaar.

  • Hallogeen inbouwspots monteren

De draden van halogeen-inbouwspots kunt u gewoon door middel van kroonsteentjes aan de spots vast zetten. Meestal hebt u een halogeen-transformator nodig tussen de spots en de centraaldoos. Die transformator moet de 230 volt uit de centraaldoos omzetten in de 12 volt (laagspanning) die de inbouwspots nodig hebben. Geef de transformator voldoende ruimte, zodat hij zijn warmte kwijt kan en zorg ervoor dat u het juiste aantal spots aansluit op de transformator.

  • (Snoer-)schakelaar of dimmer aanbrengen

 1. Neem het kapje van de schakelaar en draai de schroefjes los die de draad vast moeten klemmen (afbeelding 17).


2. De draad bestaat uit een mantel met daarin twee dunnere draden. Die dunnere draden hebben beide een eigen isolatie. Verwijder eerst de mantel op de plaats waar de schakelaar moet komen.

3. Knip 1 of beide draden door (Let op: bij sommige schakelaars kan 1 draad ononderbroken ingebracht worden) en verwijder de isolatie.

4. Draai als u twee draden hebt moeten doorknippen de draden in elkaar, zet ze vast en zet ook de gehele snoer weer vast onder de schroefjes in de schakelaar. Dat laatste doet u ook als u maar één draad hebt hoeven doorknippen.

  • Stekker vervangen

 U kunt natuurlijk de oude stekker openleggen en de draden op de zelfde manier weer in de nieuwe stekker bevestigen, maar u kunt de oude stekker ook afknippen. Als u hem afknipt, gaat u verder als volgt te werk.

1. Schroef de stekker open (afbeelding 18).

2. Verwijder ongeveer 2 cm van de mantel van het snoer. Daarmee maakt u twee draden met hun isolatie er omheen, zichtbaar.

3. Vouw het uiteinde dubbel en steek dat onder de schroefjes van de stekkerpennen. Zet de schroefjes goed vast (afbeelding 19).

4. Gebruikt u een randgeaarde stekker, dan bevestigt u de groen/gele draad in het midden aan het aardcontact. Dat herkent u aan het aarde-teken.

5. Schroef de twee delen van de stekker weer op elkaar.

  • Duidelijkheid in meterkast

Als u gaat klussen is het handig als u direct kunt zien welke groep u uit moet schakelen. Zet daarom op een briefje wat op welke groep zit of plak een stickertje boven elke groep.

  • Twee dozen

In elke doos is ruimte om de draden wat langer te laten dan per se nodig is. En dat is handig als u eens wilt uitbreiden. Maar, teveel draad in één doos geeft een hoop gedrang, dus risico op het kapotgaan van de isolatie. Plaats daarom gewoon een tweede doos naast de eerste als die eerste wat vol dreigt te raken.

  • Voorkom brand

Brand kan ontstaan als er een vonk overschiet in een stopcontact, van de draad naar de schroef. Dat voorkomt u als u alle schroefcontacten goed vastdraait en u ervan overtuigt dat de draden er goed onder vast zitten.

  • Afgeslagen aardlekschakelaar

Als een apparaat weigert en de aardlekschakelaar blijkt afgeslagen te zijn, haal dan eerst de stekker van het apparaat uit het stopcontact. Schakel dan pas de aardschakelaar weer in en laat het apparaat controleren.

  • Verzonken inbouwdoos

Door een te dikke stuclaag kan de inbouwdoos te diep zitten. Plaats opvulringen om de inbouwdoos op het juiste niveau te brengen.

  • Weigerende dimmer

Open de dimmer en vervang de glazen zekering. Een brommende dimmer staat te laag, verhoog de lichtsterkte een beetje.

Zoals u waarschijnlijk wel weet, kàn elektriciteit gevaarlijk zijn. Een stroomstoot is op z’n minst onprettig. Het is dus van enorm belang dat u voorzichtig doet als u met elektra aan de slag gaat. Wij adviseren u bovendien om zelf alleen klein onderhoud te plegen en vrij eenvoudige veranderingen aan te brengen. Voor grotere klussen is de (erkende) installateur het juiste adres, want voor het werken aan een elektrische installatie geldt, dat U zich altijd dient te houden aan de wettelijke voorschriften en de voorschriften van uw energiebedrijf.

1. Oefen eerst een keer ”droog”. Maak vooraf een tekening en ga nog voordat u de werkzaamheden aanvangt, even na hoe de draden lopen, welke kleuren met elkaar verbonden moeten worden en wat de volgorde van de werkzaamheden moet zijn.

2. Schakel in de meterkast in ieder geval de elektriciteit uit van de groep waaraan u gaat werken. Hebt u een automatische stop, dan zet u de schakelaar om, hebt u een gewone stop, dan kunt u die het beste helemaal eruit draaien. Probeer even of de elektriciteit inderdaad uitgeschakeld is, door een lamp of iets dergelijks even aan te zetten die op dezelfde groep zit. Als het goed is, doet deze lamp het nu niet.

3. Een belangrijke voorzorgsmaatregel is het gebruiken van niet-geleidende materialen. Schoenen met rubber zolen geleiden de stroom niet als u toch een stroomstoot zou
krijgen. Datzelfde geldt voor goed geïsoleerd gereedschap. En, houd water ver uit de buurt van de werkzaamheden. Ga niet op een natte ondergrond staan en zorg ervoor dat
u zelf niet nat bent.

4. Als u een trap nodig hebt, zet die dan stabiel neer en ga zo hoog staan dat u makkelijk bij de plaats kunt waar u de werkzaamheden moet uitvoeren.

  • De draden

In de elektrische installatie worden vier kleuren draad gebruikt:
Bruin - Aanvoerdraad (fase)
Blauw - Afvoerdraad (nulleiding)
Zwart - Schakeldraad (na schakelaars en tussen schakelaar en lamp)
Geel/groen - Aarddraad

Bij oude installaties kunt u nog te maken krijgen met de ”oude” kleuren:
Groen - Aanvoerdraad
Rood - Afvoerdraad
Grijs - Aarddraad.

  • De kabels

Kabel die in de grond ligt, moet altijd XMVK- of YMVKas-kabel zijn.
Kabel die tegen de muur bevestigd wordt, kan XMVK- of YMVKas-kabel zijn.

  • Kabelzadels

Kabelzadels zijn klemmen waarmee u de kabel vastzet op de muur.

  • Het schakelmateriaal

Voor de elektriciteit buiten kunt u natuurlijk geen gewone stopcontacten, schakelaars en lasdozen gebruiken. Al het materiaal dat u buiten gebruikt, moet (spat-)waterdicht zijn. (afbeelding 1). Op dit schakelmateriaal vindt u dan ook het spatwaterdicht-symbool terug.

  • Algemeen

De kabel voor de buitenverlichting wordt aangesloten op een lasdoos, waarin een aarddraad zit. Zo’n lasdoos vindt men in de keuken of in de garage. De buitenkabel kan ook in de meterkast worden aangesloten. Vanuit daar voert u de kabel door een muur. Daarvoor boort u een gat van 16 mm. De kabel wordt in de muur beschermd met een zogenaamde hostalietbuis.

  • Kabel aansluiten

Of u de kabel nu wilt aansluiten op een lasdoos, een schakelaar, een lichtpunt of een stopcontact, de werkwijze is steeds dezelfde (afbeelding 2):

1. Breek de stukjes plastic waar de kabel moet komen zorgvuldig weg om beschadiging van de kabel te voorkomen.

2. Snij het omhulsel van de kabel weg, zodat de draden die u moet aansluiten vrij komen. Let er daarbij op dat de kabel intact blijft tot aan het punt waar zij de doos in gaat.

3. Verbind de draden in de doos, kleur aan kleur!

4. Voer de kabel in de doos met de bijbehorende wartel en rubberring. Hiermee voorkomt u dat er water in de doos kan komen.

5. Open de condensgaatjes onderaan de doos door ze door te prikken met een scherp voorwerp. Mocht er dan toch condenswater in de doos komen, dan kan dat er weer uit lopen.

  • Ondergrondse kabel

Een ondergrondse kabel moet tenminste 50 cm onder het oppervlak (maaiveld) gelegd worden. Hiervoor gebruikt u een XMVK- of YMVKas-kabel, die een gevlochten metalen omhulsel heeft. Deze omvlechting voorkomt beschadiging, en vormt meteen ook de aarding van de kabel.

Deze kabel verbindt het aansluitpunt met de verlichting die u heeft aangebracht. Sluit eerst die verlichting aan: draai het uiteinde van de omvlechting van de XMVK- of YMVKas-kabel in elkaar en bevestig dat op de aardklem van de lamp.

Doe daarna hetzelfde aan het andere uiteinde van de kabel en zet dit uiteinde met een lasdop op de groen/gele aardedraad van het aansluitpunt (lasdoos of schakelaar). Om de XMVK- of de YMVKas-kabel te beschermen tot een diepte van 50 cm, moet u een hostalietbuis gebruiken (afbeelding 3).

  • Kabel op de muur

De kabel die u met kabelzadels op de muur vastzet, mag XMVK-kabel zijn. Plaats de zadels om de 30 cm en maximaal op 10 cm vanaf schakelaars, lasdozen, stopcontacten.

  • Losse kabels

Als u uw buitenlamp(en) niet op een vaste plaats wilt aanbrengen, maar wilt kunnen verplaatsen, dan moet u natuurlijk losse kabels gebruiken. Koop daarvoor alleen kabels waarbij aangegeven is dat ze bestand zijn tegen vocht, vorst en zon. En wilt u deze kabels aansluiten op stopcontacten buiten, gebuik dan ook daarvoor (spat-)waterdichte stekkers!

  • 230 Voltsinstallatie

U kunt bij Formido allerlei verschillende lampen kopen, er is dus altijd wel een lamp bij die past in de buitenverlichting die u hebt uitgezocht. Bij de aanschaf van de lamp moet u op de volgende punten letten:
- er zijn ”gewone” lampen en energiezuinige lampen van het type SL of PLCE verkrijgbaar met een grote fitting;
- de energiezuinige PL-lampen hebben een speciale fitting.

  • Sensor of bewegingsmelder

Daarnaast kunt u natuurlijk kiezen voor buitenverlichting met een lichtsensor of met een bewegingsmelder. Een lichtsensor reageert alleen op de lichtsterkte; als het buiten donker wordt, zorgt de lichtsensor ervoor dat de lamp wordt ingeschakeld. Een bewegingsmelder is een infra-rode detector die niet op lichtsterkte, maar op warmte reageert. Merkt de detector dat de warmte in zijn buurt verandert - bijvoorbeeld omdat er een persoon in de buurt komt - dan schakelt hij de lamp automatisch aan. In veel gevallen kunt u zelf bepalen hoe lang de lamp moet blijven branden nadat hij automatisch is ingeschakeld.

  • 12 Voltsinstallatie

Tot slot is er de mogelijkheid van de laagspanningslamp. Deze lamp werkt op 12 Volt en dat betekent dat u een transformator nodig hebt die de gewone 230 Volts-spanning terugbrengt naar 12 Volt.
Een groot voordeel hiervan is dat u de risico’s van ”stroomschokken” - bijvoorbeeld wanneer u met tuingereedschap door een snoer heen gaat - uitsluit. Deze transformator moet u binnen aanbrengen. Op dezelfde installatie kunt u ook een fonteinpomp voor uw vijver aansluiten.

  • Duidelijkheid in meterkast

Ook als u buiten gaat klussen is het handig als u direct kunt zien welke groep u uit moet schakelen. Zet daarom op een briefje wat op welke groep zit of plak een stickertje boven elke groep in uw meterkast.

  • Voorkom brand

Brand kan ontstaan als er een vonk overschiet in een stopcontact als gevolg van losse contacten. Dat voorkomt u als u alle schroefcontacten goed vastdraait en u ervan overtuigt dat de draden er goed onder vast zitten.

  • Niet in de ogen

U zult het zelf ook wel eens merken als u te voet, op de fiets of met de auto door een woonwijk gaat. Op sommige plaatsen staan de lampen zo afgesteld dat ze voorbijgangers hinderlijk in de ogen schijnen. Voorkom dat door zelf even na te gaan of er iemand last kan hebben van de lampen die u heeft aangebracht.

  • Meebloeien

Er zijn ook tuinlampen op een spies verkrijgbaar bij Formido. Die kunt u steeds daar plaatsen waar u het mooiste effect ermee bereikt. In het najaar bijvoorbeeld bij een naaldboom en in het voorjaar en de zomer bij uitbundig bloeiende struiken of bloemen. Of juist in de zomer bij uw zitkuil en in de winter bij het trapje of bij de poort.