Recent toegevoegde artikel(en)
  • Product
  • Aantal
  • Prijs
  1. Er bevinden zich geen producten in je winkelwagen
Wijzig winkelwagen
Eindtotaal 0.-
Subtotaal (inclusief BTW) 0.-
BTW (%) 0.-
  • Gipsvuller
  • Wapeningsband
  • Gasbetonzaag
  • Lijmkam
  • Bouwemmer / speciekuip
  • Plakspaan
  • Troffel
  • Voegspijker
  • Mixer
  • Afwerkprofielen

Altijd handig bij deze klus!

Bouwmaterialen

De Klushulppagina Bouwmaterialen beschrijft waar je rekening mee dient te houden als je gaat klussen. Zo tref je hier een aantal tips, een 'Altijd handig lijstje' met niet te vergeten producten en KlusZo folders met een volledige beschrijving aan. Zo bereid je iedere klus goed voor.

 

Informatie over dakbedekking

  • Algemeen

Bitumineuze dakbedekking is makkelijk te verwerken, sterk en licht. Dat betekent dat het erg geschikt is voor platte daken, maar het kan ook goed voor hellende daken gebruikt worden. Maar u kunt natuurlijk ook kiezen voor golfplaten. Omdat het van belang is het goede materiaal te kiezen voor uw klus, geven we u hieronder een schematische toelichting op de verschillende dakbedekkingsmaterialen.

  • De materialen

Dakbedekkingsmaterialen kunnen op verschillende manieren gegroepeerd worden. Als we ze indelen naar bevestigingswijze, ontstaat het volgende schema. Daarin ziet u de termen eenlaagse en meerlaagse dakbedekking. ‘Eenlaagse dakbedekking’ kan gebruikt worden voor bergingen, garages en dergelijke. ‘Meerlaagse dakbedekking’ is noodzakelijk voor ruimten die bewoond worden.

  • De hoeveelheid materiaal

Omdat er zoveel verschillende soorten dakbedekkingsmateriaal zijn, kunnen we u alleen adviseren de hoeveelheid goed te berekenen voordat u het materiaal van uw keuze gaat kopen. Houd er daarbij rekening mee dat u voor dakbedekkingsmateriaal op rollen (altijd 100 cm breed)
uit moet gaan van een dekkende breedte van 90 cm. De banen moeten elkaar namelijk allemaal 10 cm overlappen. Daarbij maakt het niet uit of u een onderlaag aanbrengt of een bovenlaag. Ook golfplaten en shingles moeten elkaar overlappen.

  • Dak niet horizontaal

Voordat u het dak gaat bedekken, moet het dak zelf goed in orde zijn. Daarbij is het van belang te weten dat een ‘plat’ dak nooit helemaal horizontaal mag zijn. Dan zou immers het regenwater op het dak blijven liggen. Het dak moet daarom afwateren en daarvoor moet u afschot aanbrengen en een hemelwaterafvoer. Mocht die afvoer verstopt raken, dan moet het water over de rand weg kunnen.

  • Boeideel en mastiekschroot

Hebt u een houten dakvloer, dan kunt u de randen afwerken met een boeideel (afbeelding 1). Zo’n boeideel brengt u horizontaal aan, en u laat het een stuk boven de dakvloer uitsteken. De kopse kanten van de houtenbalken steken iets buiten de gevel uit, zodat ertussen het boeideel en de gevel een ventilatiespleetje ontstaat. Daarmee hebt u dus een rand gecreëerd van 90o. Omdat dat een te scherpe hoek is voor de dakbedekking (kans op beschadiging), brengt u tegen het boeideel nog een mastiekschroot aan, een lat die de hoek terugbrengt tot 45o.

Vanzelfsprekend zorgt u er verder voor dat de ondergrond waarop u gaat werken goed schoon en droog is. Repareer alle barsten, scheuren en oneffenheden; met een gladde ondergrond krijgt u het beste resultaat.

  • Plak- of spijkerbare dakbedekking

1. Dakisolatie brengt u in een halfsteensverband aan. De platen hoeven niet vastgemaakt te worden op het dak, maar zorg er wel voor dat er geen kieren ontstaan tussen de platen (afbeelding 2).

2. Leg een eerste strook van 15 cm aan de randen van het dak. Omdat u daar te maken hebt met het boeideel en de mastiekschroot, moet u deze ook meerekenen bij het snijden van de strook. Een voorbeeld: als uw boeideel 4 cm dik is en de mastiekschroot 10 cm hoog, snijdt u stroken van 29 cm (afbeelding 3).

3. Sla de stroken met spijkers vast op het boeideel, steeds na 30 cm. Plak de overlappende delen vast met daklijm.
Let op: ook hier overlappen de stroken elkaar 10 cm.

4. Snijd bij alle hoeken (binnen- en buitenhoeken) de stroken schuin in. Plak ze eerst vast en snijd daarna de overtollige delen langs het boeideel weg (afbeelding 4).

5. Als u alle randen hebt voorzien van de stroken
isolatiemateriaal, kunt u de daktrim op de boeidelen plaatsen. Omdat de daktrim van aluminium is, is hij makkelijk te buigen. Plaats eerst de hoeken en zaag daar de trim aan beide kanten onder 450 in. De rest kunt u gewoon buigen. Werk met stukken van ongeveer 200 cm en zet de trim vast met roestvrije schroeven. Tussen de stukken van 200 cm laat u 2 mm speling aan, zodat er ruimte is voor uitzetten. Zet de trimstukken met koppelstukjes aan elkaar (afbeelding 5).

6. Nu kunt u de rest van het dakvlak voorzien van de isolatie. U begint met een halve baan en zorgt ervoor dat alle stroken elkaar steeds 10 cm overlappen. Alle overlappingen lijmt u vast met daklijm en u zet ze met asfaltnagels ook om de 10 cm vast in de dakvloer (afbeelding 6).

  • Toplaag aanbrengen

Hierna kunt u de toplaag gaan aanbrengen. Wanneer u zich daarop voorbereidt op de grond, kunt u later op het dak makkelijker uit de voeten. De voorbereiding bestaat eruit dat u de banen van de toplaag al op de juiste lengte snijdt en dat u die banen - zo mogelijk - om een pijp rolt. Op het dak is de baan dan makkelijk af te rollen.

1. Nu bevestigt u het materiaal eerst op het dakvlak, hier doet u de dakranden pas aan het eind.

2. Leg de rol voor u en brand het eerste deel van de baan vast. Beweeg de brander steeds rustig langs de kleeflaag, totdat u ziet dat deze smelt. Geef de rol steeds gelijkmatige, rustige duwtjes als er weer een deel van de kleeflaag gesmolten is (afbeelding 7).

3. Met de volgende banen overlapt u de vorige steeds 10 cm. Als u over moet gaan op een nieuwe baan, laat de volgende dan 15 cm over de vorige overlappen (afbeelding 8).

4. Wanneer u het dakvlak helemaal hebt bedekt, snijdt u stroken voor de kanten. Daarna behandelt u de groeven van de daktrim voor met grondverf (dakprimer). Hierna schuift u de stroken in de groeven en u brandt ze vast. Tot slot sluit u de groef met reparatie-pasta (afbeelding 9).

  • Dakdelen repareren

Als een deel van een dak dat met plak- of spijkerbare dakbedekking is bedekt, gerepareerd moet worden, gaat u als volgt te werk. U verwijdert allereerst de daktrim. Daarna maakt u het dak goed schoon. Dat betekent ook dat u het grind en de losse leislag moet verwijderen dat eventueel op het dak ligt.

Op de plaatsen waar de bitumen dakbedekking kapot is, verwijdert u de toplaag en de eventuele onderlagen. Dan brengt u een laag dakprimer aan en als die droog is, kunt u de nieuwe bitumenlaag of lagen gaan aanbrengen. De nieuwe banen legt u zonder overlap, dus tegen elkaar aan. Ga verder te werk zoals hierboven is beschreven.

  • Vloeibare dakbedekking

Maakt u gebruik van vloeibare dakbedekking, dan moet u eerst een laag dakprimer aanbrengen. Daarvoor gebruikt u een zogenaamde luiwagen of trekker. Die komt ook weer van pas als u de vloeibare dakbedekking gaat aanbrengen. De eerste laag moet ongeveer 1,5 mm dik zijn. Laat de
eerste laag goed uitharden voordat u de tweede laag gaat aanbrengen (het uitharden duurt ongeveer 24 uur). Ook de tweede en eventueel derde laag brengt u weer aan met de luiwagen of trekker. Deze lagen moeten ongeveer 0,5 mm dik zijn. Eventueel kunt u hier overheen nog leislag strooien, maar dat is niet noodzakelijk.

Met vloeibare dakbedekking kunt u ook kleine beschadiging-en repareren op een dak waarop al eerder vloeibare dakbedekking is aangebracht of een andere vorm van bitumineuze dakbedekking.

  • Shingles

Hebt u een vrij plat dak (minder dan 30o) dan moet u onder shingles eerst een onderlaag aanbrengen. Helt het dak meer dan 30o, dan kunt u ze rechtstreeks op het dakbeschot aanbrengen. Wij adviseren u echter om altijd een onderlaag aan te brengen. Daarmee begint u aan de onderrand van het dak. Met een halfronde lat kunt u de strook vastzetten (afbeelding10). U trekt de strook daarna omhoog en spijkert hem om de 10 cm vast met asfaltnagels. Breng de overige banen aan in dezelfde richting als de planken van het dakbeschot en spijker ook deze banen vast met asfaltnagels (afbeelding 11). Werk steeds tot 10 cm over de nok, op die nok liggen dan uiteindelijk twee lagen (afbeelding 12). Als u het hele dak voorzien hebt van de onderlaag, kunt u de shingles gaan aanbrengen.

1. Leg de eerste rij langs de dakrand, met de inkepingen omhoog (afbeelding 13). Spijker de shingles steeds links en rechts naast de inkepingen vast. Hierna werkt u steeds met de inkepingen omlaag, waarbij u de volgende shingles steeds een halve shingle laat verspringen, zowel horizontaal als verticaal. Gebruik daarvoor een centimeter (afbeelding 14 en 15).

2. Voor de nok snijdt u nokstroken uit een dakshingles. Bij de hoeken snijdt u de nokstukken schuin af en daar waar u moet buigen, maakt u de stukken eerst warm met een hobby-brander. De nok-stukken moeten elkaar steeds 5 cm overlappen en worden allemaal met twee nagels vastgespijkerd. Daarna plakt u ze nog vast met reparatiepasta.

3. Wilt u de zijranden mooi afwerken, dan kunt u een windveer met deklijst gebruiken. Bij de nok kunt u de deklijst waterdicht maken met een stuk lood of zink.

Een shinglesdak is te repareren door oude shingles te vervangen voor nieuwe shingles.

  • Golfplaten

Zaag de golfplaten eerst op maat op een vlakke ondergrond met een fijngetande zaag. Schroef daarna als u kunststof golfplaten gebruikt, de eerste platen vast op de ondergrond van latten. In de golftop maakt u daarvoor boorgaten die 1 mm. groter zijn dan de speciale golfplaatschroeven die u gebruikt.
Deze golfplaatschroeven hebben een kunststofring, waardoor het schroefgat waterdicht is afgesloten (afbeelding 16). Bovendien schroeft u de randen en de delen die overlappen ook vast op de golftoppen (het hoogste punt van de golf).

Leg de platen dakpansgewijs en laat ze elkaar in de lengte tenminste 10 cm overlappen. In de breedte laat u ze elkaar tenminste één golf overlappen (afbeelding 17). Gebruikt u gebitumineerde golfplaten in plaats van kunststof, dan moeten de overlappen 15 cm in de lengte bedragen en twee golven in de breedte.

Golfplaten kunt u ook gebruiken voor het maken van een afdak of wanden. U brengt ze altijd aan op latten die u steeds op maximaal 60 cm van elkaar hebt aangebracht.

Een voordeel van een golfplaten -dak of -wand is dat u makkelijk een deel kunt vervangen als er eens iets kapot gaat. U verwijdert de oorspronkelijke plaat en brengt de nieuwe (zelfde maat zagen) op dezelfde manier aan.

  • Hemelwaterafvoer

Goede afvoer van het hemelwater is essentieel voor een dak dat lang mee moet gaan. In de beschrijving van het dakbedekken is al aangegeven dat een dak nooit echt plat mag zijn. Bij daken van golfplaten, is een goot het geëigende middel om af te wateren. Hieronder beschrijven we hoe u zo’n goot het beste kunt bevestigen. We gaan daarbij uit van een halfronde mastgoot, waarvoor u speciale golfplaat-gootbeugels kunt gebruiken. Voor het op maat maken van de goot en van de regenpijp, gebruikt u een ijzerzaag en een verstekbak.

1. Bereken allereerst hoeveel de goot moet aflopen in de richting van de regenpijp. Ga daarbij uit van een helling van tenminste 2,5 mm per meter goot. Een goot van 5 meter lengte, moet dus 12,5 mm aflopen (afbeelding 18).

2. Monteer de eerste en de laatste beugel, waarbij u de laatste naast de aansluiting op de regenpijp plaatst. Deze speciale golfplaat-gootbeugels schroeft u vast tegen de kantplank. In ons voorbeeld zit de eerste beugel dus 12,5 mm hoger dan de laatste.

3. Hierna spant u een touw strak tussen de eerste en de laatste beugel. De overige beugels bevestigt u dan steeds tegen de draad aan en daarmee weet u zeker dat uw goot goed afloopt naar de regenpijp toe. De maximale ruimte tussen de verschillende beugels is 60 cm.

4. U kunt nu de gootdelen aan de lippen van de gootbeugels ophangen. Buig die lippen niet te ver om; de goot moet kunnen uitzetten en krimpen (afbeelding 19).

5. De verschillende gootdelen kunt u aan elkaar lijmen met hard-pvc-vullijm, nadat u ze met spiritus ontvet hebt (afbeelding 20).

6. Zet de goot bij de aansluiting op de regenpijp wel goed vast om het wegduwen van de regenpijp te voorkomen. Dat kan door een uitsparing te zagen in de goot, waarin u de lip flink vast duwt.

  • Ruzie tussen teer en bitumen

Repareer nooit een dak op basis van teer met bitumen.
Die twee houden niet van elkaar.

  • Ergernis voorkomen

Een hobbybrander is niet geschikt voor het vastbranden van dakbedekking. Als u direct een professionele propaanbrander bij Formido huurt, voorkomt u ergernis.

  • Folie niet verwijderen

De folie op rollen dakbedekking is eigenlijk alleen bedoeld om aan elkaar plakken in de verpakking te voorkomen. Maar u hoeft de folie niet te verwijderen: deze verbrandt bij de montage.

  • Staande rollen

Sla rollen dakbedekking niet liggend op.
Op de verpakking staat hoe het wel moet.

  • Gewichten gebruiken

De daklijm die u gebruikt bij het bevestigen van bitumen dakbedekking, zorgt ervoor dat de bitumenlagen in elkaar versmelten. Dat gaat stukken beter als u er tijdelijk zware gewichten, bijvoorbeeld tegels, op aanbrengt.

  • Geen obstakels

Een dak moet overal netjes afwateren. Leg de naden dus zo dat er geen obstakels ontstaan voor het hemelwater.

  • Extra laag

Op ‘Gevoelige plekken’ zoals randen en onderbrekingen, komt altijd één laag dakbedekkingsmateriaal meer dan op het gewone dakvlak.

  • Tuintegels op het dak

Als u houten tuintegels op het gebitumineerde dak legt, is het goed beloopbaar. Bovendien beschermt u het dak ermee tegen de ultra violette straling van de zon.

  • Lange dakgoot

Wordt uw dakgoot langer dan 5 meter, gebruik dan een verzamelbak met overloop.

 

 

Informatie over isolatie

 Voordat u isolatiemateriaal of tochtwering gaat kopen, is het goed te bedenken wat u wilt isoleren en waarom. In de meeste gevallen zal dat zijn omdat u het idee hebt dat een te groot deel van de warmte die u opwekt, vrij snel verloren gaat. Als u gaat isoleren, duurt het langer voordat die warmte uw huis verlaten heeft en verbruikt u dus minder energie. Op termijn betekent isoleren dus ook geld besparen. Om na te gaan wáár u het meest efficiënt kunt isoleren, kunt u onderstaand rijtje eens nalopen en kijken waar u de meeste kubieke meters gas mee zou besparen.


Als u in dit schema leest dat u met isolatie van een houten vloer 50 m3 kunt besparen, dan bedoelen we daarmee dat u dat kunt besparen per jaar per vierkante meter oppervlak! Vanzelfsprekend gaan we in dit schema uit van gemiddelden; mogelijk dat de R-waarde (dat is de warmteweerstand) van uw pannendak of houten vloer iets afwijkt van dat gemiddelde. Maar duidelijk is wel dat goede isolatie u veel kubieke meters gas (of andere brandstof) kan besparen. Om over de verbetering van het wooncomfort nog maar niet te spreken.

  • Op de wal blijven

Isoleren bespaart niet alleen warmte, het zorgt er ook voor dat de natuurlijke ventilatiekanalen verdwijnen. Het risico daarvan is dat er condens gaat ontstaan in uw huis, bijvoorbeeld achter de isolatie. En dan zou u van de wal in de sloot belanden. Om dat te voorkomen, adviseren wij u isolatiemateriaal te gebruiken met een dampwerende laag en ruiten te plaatsen met ventilatiestrips.

  • Materialen

Hierboven vindt u de belangrijkste isolatiematerialen per ruimte die u kunt isoleren.

Glas- en Steenwol zijn natuurlijke materialen die schimmels weren, water afstoten, onbrandbaar, veerkrachtig zijn en dampwerend mits ze zijn voorzien van een aluminiumfolie.

Geëxpandeerd polystyreenschuim (EPS) is vochtbestendig, dampremmend en ongevoelig voor schimmel.

Noppenfolie is een folie waarvan de noppen zijn bedekt met een aluminiumlaag. Het is dampdicht en onbrandbaar als u de naden afplakt met aluminiumtape.

  • Ruiten isoleren

In het schema heeft u al gezien dat de R-waarde van ruiten erg laag is. Dat betekent dat ruiten erg veel warmte doorlaten; ze hebben bijna geen warmteweerstand. Die warmteweerstand wordt al twee maal zo groot als u dubbelglas aanbrengt. Feitelijk zijn dat gewoon twee ruiten, met daartussen alleen maar lucht (daarom is zo’n ruit meer dan ‘dubbeldik’). Dat laagje lucht zit gevangen tussen de twee lagen glas en isoleert de binnenste ruit. De buitenste ruit wordt dus wel koud, maar de kou kan niet makkelijk naar de binnenste ruit omdat hij eerst de luchtisolatie ‘moet overwinnen’. Omgekeerd geldt dat ook voor de warmte vanuit de kamer. Het effect daarvan is dat het voor uw gevoel veel minder koud is bij het raam.

Bij Formido kunt u dubbelglas op maat kopen. Eén van onze medewerkers is u graag behulpzaam bij het exact bepalen van de juiste maten. Hebt u het dubbelglas eenmaal in huis en de oude ruit verwijderd, dan kunt u aan de slag. U begint dan met het schoonmaken en voorlakken (met grondverf of blanke lak) van de sponning. De glaslatten schildert u ook, maar alleen aan de binnenkant. Daarna plakt u het glasband in de sponning. Die glasband moet overal ruim 5 mm. smaller zijn dan de sponning, omdat u daar later nog kit moet aanbrengen.

Nu gaat u stapsgewijs verder:
1. Zaag de glaslat die boven en onder tegen de ruit moeten komen, op maat. Plak daarop ook glasband, aan de kant die tegen het glas zal komen (afbeelding 1).

2. Plaats nu de ruit in de sponning. Let op: doorvoor gebruikt u schuine blokjes, die bij de meeste ruiten meegeleverd worden. De ruit mag de sponning nergens helemaal raken!
- Hebt u een niet-scharnierende ruit, dan zet u de schuine blokjes op de onderste sponning, ongeveer 25 cm. vanuit de hoek en in de zijsponning, ongeveer 25 cm. vanaf de bovenhoek (afbeelding 2).
- Plaatst u een scharnierend raam, dan bepaalt de scharnierzijde de plaats van de blokjes. Bij de scharnierzijde in de onderhoek plaatst u in de beide sponningen steunblokjes. In de tegenoverliggende bovenhoek zet u ook steunblokjes. Ook hier moeten de blokjes ongeveer 25 cm. uit de hoeken geplaatst worden (afbeelding 3).

3. Nu kunt u de bovenste glaslat aanbrengen en goed vastzetten en daarna de onderste glaslat. Als u een niet-scharnierende ruit plaatst, moet u tussen die onderste glaslat en de sponning wat blokjes hout aanbrengen, zodat er onder de ruit ruimte is voor ventilatie (afbeelding 4).

4. Zaag de zijlatten nu exact op maat en plak tegen de beschilderde kant glasband. Daarna kunt u deze zijlatten ook aanbrengen en goed vastzetten.

5. Tot slot brengt u kit aan waar de glaslatten elkaar raken en in de voegen bij het glasband. Dat laatste doet u aan de binnen èn aan de buitenkant (afbeelding 5).

  • Plat dak isoleren

Een plat dak moet u altijd aan de buitenkant isoleren, omdat u anders de kans loopt dat er condens gaat ontstaan tegen uw plafond.
Als uw platte dak van steen of van kwalitatief goed hout gemaakt is en sterk genoeg is om wat gewicht te kunnen dragen, kunt u het heel snel isoleren door er platen geëxpandeerd polystyreenschuim op aan te brengen. U kunt ze los leggen in de lengterichting van het dak, maar u moet er wel voor zorgen dat ze goed op elkaar aansluiten. Over de platen heen strooit u grind of legt u tegels op tegeldragers.

  • Pannendak isoleren

Wij adviseren u een pannendak alleen aan de binnenkant te isoleren als er géén dampdichte laag is aangebracht op het dakbeschot. Als er wel een dampdichte laag is aangebracht, kunt u met het isoleren van de wal in de sloot vallen: dan is er een grote kans op condensvorming. Raadpleeg daarvoor een specialist. Hier gaan we uit van een pannendak waarop géén dampdichte laag is aangebracht.

Isoleren aan de binnenzijde is vrij eenvoudig en u kunt bijna onbeperkt kiezen uit isolatiematerialen: platen of dekens glaswol of steenwol, noppenfolie of platen geëxpandeerd polystyreenschuim. Voor de isolatiewaarde maakt het daarbij niet uit of u het isolatiemateriaal aanbrengt op de dakbalken of juist daar tussenin. De bevestigingswijze is wel verschillend.

Als u op de dakbalken isoleert, spijkert u eerst latten dwars op de dakbalken. Daartussen klemt u de isolatie (dus iets groter snijden, zodat u het kunt klemmen), waarna u het afhankelijk van het gekozen materiaal vastniet of lijmt (afbeelding 6 en 7).

Als u tussen de dakbalken isoleert, schroeft u eerst latten tegen het dakbeschot. Verder gaat u hetzelfde te werk als bij het isoleren op de dakbalken (afbeelding 8 t/m 10).

Over het isolatiemateriaal heen kunt u afwerkmateriaal aanbrengen, zoals gipsplaat.

  • Muren isoleren

Als u een luchtspouw hebt tussen de binnen- en buitenmuur van uw huis, kunt u die spouw door een vakman laten vullen met isolatiemateriaal. Als uw huis voorzien is van massieve muren zonder spouw, kunt u wel zelf isoleren. De muur moet daarvoor wel droog zijn, natte muren moet u eerst droog zien te krijgen voordat u gaat isoleren (zie daarvoor KlusZo Vocht en Ventilatie).

Kies eerst de soort isolatiemateriaal die u wilt gebruiken (platen werken het makkelijkst). Ga na hoe dik dat materiaal is en bevestig een stijl- en regelwerk op de muur van latten of metalen staanders die net zo dik zijn als het isolatiemateriaal (afbeelding 11). Bevestig het stijl- en regelwerk zo dat de vlakken tussen de latten of staanders net iets kleiner zijn dan een isolatieplaat, zodat u de plaat er alleen maar in hoeft te klemmen. Breng over het isolatiemateriaal heen een dampremmende laag aan van dikke kunststoffolie. De foliebanen moeten elkaar minimaal 10 cm. overlappen en u moet de naden goed afplakken met aluminiumtape. Een alternatief voor werken met een aparte isolatielaag en een aparte dampremmende laag, is werken met isolatiemateriaal dat al aan één zijde voorzien is van een dampwerende laag van aluminiumfolie (steenwol, glaswol of noppenfolie).
In alle gevallen kunt u de muur afwerken met een afwerklaag als gipsplaten, decoratieve wandplaten of schrootjes (afbeelding 12).

  • Vloer isoleren

Bij vloeren maken we onderscheid tussen vloeren op de begane grond en verdiepingsvloeren. Deze kunnen van beton of van hout zijn.

  • Hout

Meestal kunt u een houten verdiepingsvloer van bovenaf isoleren door de vloerdelen weg te halen en daaronder te isoleren, of juist van onderaf door de plafondafwerking weg te halen en daarboven te isoleren. Als dat allebei niet mogelijk is, moet u het plafond verlagen of de vloer verhogen om de vloer te isoleren. Dat kan het beste met isolatieplaten.

Hout van onderaf isoleren:
Haal de plafondafwerking weg en klem isolatiemateriaal tussen de plafondbalken. Zet de isolatie vast met dunne latjes. Plaats daarna de plafondafwerking terug (afbeelding 17).

Hout van bovenaf isoleren:
Verwijder de vloerdelen en klem isolatiemateriaal tussen de plafondbalken. Plaats daarna de vloerdelen weer terug (afbeelding 18).

  • Beton

Bij een betonnen verdiepingsvloer isoleert u het beton aan de bovenkant op dezelfde manier als op de begane grond.

  • Leidingen isoleren

Tot nu toe ging het in het algemeen over het binnenshuis houden van warmte. Het isoleren van leidingen is bedoeld om de warmte juist in de leidingen te laten, zodat ze de warmte kunnen brengen waar u die hebben wilt. In de ruimten die u sowieso wilt verwarmen, hoeft u de leidingen dus niet te isoleren. In ruimten die niet verwarmd hoeven te worden, zoals de kruipruimte of de zolder, kunt u ze eenvoudig isoleren door er voorgevormd geëxpandeerd polystyreenschuim omheen te klemmen. Daarvoor snijdt u de buis van schuim open en klemt u het om de leiding heen. Laat de verschillende delen goed tegen elkaar aansluiten en dicht alle naden met lijm of met speciaal plakband.

  • Tochtwering

Als u door uw huis wandelt op zoek naar kieren, zul u ze op allerlei plaatsen tegenkomen. Niet alleen onder of naast ramen en deuren, maar ook bij de brievenbus, de meterkast en de gootsteenkast. Omdat het ‘bekende’ kieren betreft, vindt u bij Formido voor bijna alle kieren een pasklare oplossing.

Wilt u snel en vrij goedkoop een aantal kieren rondom deuren en ramen dichten, dan kiest u voor tochtband (afbeelding 19). Die zijn veelal zelfklevend en verkrijgbaar in verschillende maten. Flexibele rubberstrips zijn wat duurder, maar gaan ook wat langer mee (gemiddeld zo’n 4 tot 8 jaar) dan strips van schuim (gemiddeld zo’n 1 tot 2 jaar). Nog langer werken tochtstrips uit een combinatie van materialen (aluminium of hardplastic met een flexibel deel). Speciaal voor de onderkant van deuren zijn er dorpelstrips (afbeelding 20). Sommige daarvan zijn voorzien van een borstel, zodat uw vloer niet beschadigd raakt. Een dubbele borstel wordt gebruikt voor de tochtwering bij de brievenbus (afbeelding 21). De brieven kunnen er gewoon doorheen geduwd worden, maar een luchtstroom heeft daar niet voldoende kracht voor.

  • Dakbeschot spijkeren

Als u tegen het dakbeschot gaat spijkeren, is er veel kans dat de dakpannen naar beneden vallen. Spijkeren kan dus alleen tegen de dakbalken, tegen het dakbeschot schroeft u alleen.

  • Plat dak belasten

Een plat dak kan maar een bepaalde belasting verdragen. Wordt die belasting te zwaar - bijvoorbeeld omdat u veel grind op één plek neerlegt - dan zal het dak daar gaan doorzakken.

  • Stopcontacten aanpassen

Vergeet niet om stopcontacten en dergelijke aan te passen!

  • Tochtstrips niet schilderen

Tochtstrips mogen niet geschilderd worden, omdat ze dan hun flexibiliteit verliezen.

  • Vloerverwarming

Brengt u vloerisolatie aan, dan is dit ook een goede gelegenheid om vloerverwarming aan te leggen. Zie hiervoor KlusZo Vloerverwarming.

  • Energiepremie

U kunt in aanmerking komen voor een energiepremie. Informeer hiernaar bij uw energiebedrijf of kijk op www.energiepremie.nl.

 

 

Informatie over beton storten

  • Algemeen

Beton is ideaal materiaal voor het maken van een nieuwe vloer of het aanbrengen van een vloer over een balklaag. Daarnaast is het voor de doe-het-zelver goed bruikbaar als fundering voor kleine bouwwerken. Natuurlijk kan het ook gebruikt worden voor de fundering van grotere bouwwerken, maar dan is er wapening van de fundering nodig. Wij adviseren u daarvoor een deskundige in te schakelen, evenals in situaties waar u een vergunning nodig heeft om te mogen bouwen.

  • Wat is beton?

Beton is een mengsel van drie materialen (cement, zand en grind) en water. Het grind en het zand worden door het cement ‘aan elkaar gebonden’, het cement is dus een bindmiddel. Mengt u het beton zelf, dan is de verhouding 1 : 2 : 3, u mengt dus 1 deel cement, 2 delen zand en 3 delen grind. De hoeveelheid (schoon!) water die u nodig hebt, is niet exact aan te geven; die hangt af van de soorten grind, zand en cement die u gebruikt. Belangrijk is wel om niet te veel water te gebruiken: de kwaliteit van het beton gaat dan achteruit.

U kunt ook kant-en-klare betonmortel kopen bij Formido; daar hoeft u alleen maar water doorheen te mengen. De hoeveelheid staat op de verpakking aangegeven.

  • Beton aanmaken

De kwaliteit van beton hangt sterk samen met de mate waarin de materialen gemengd zijn. Hoe beter gemengd, hoe beter en sterker het beton. Kleine hoeveelheden kunt u nog wel met de hand aanmaken, maar hebt u een redelijke hoeveelheid nodig, dan is een betonmolen onmisbaar.
Hoe u ook mengt, altijd moeten alle zand- en grinddelen na het mengen goed voorzien zijn van een ‘huid’ van cement. Klonten zijn vanzelfsprekend uit den boze!

  • Met de hand aanmaken

Met de hand aanmaken kan alleen met kant-en-klare betonmortel (afbeelding 1)

1. Zorg voor een vlakke, schone ondergrond.

2. Schud een deel van de betonmortel op de ondergrond en maak er in het midden een kuiltje in.

3. Giet water in het kuiltje en schep er steeds vanaf de rand betonmortel in.

4. Meng de betonmortel steeds goed met het water, totdat het mengsel helemaal dezelfde kleur heeft.

Met de betonmolen (kantelbare trommelmenger) wordt het beton als volgt aangemaakt (afbeelding 2)

  • Met de betonmolen aanmaken

1. Maak de kuip van de betonmolen vooraf goed schoon.

2. Meet de ingrediënten (iedere keer opnieuw) zorgvuldig af en let op de juiste verhouding cement, zand en grind.

3. Doe eerst het grind, het zand en de helft van het water in de molen.

4. Zet de betonmolen in werking. Laat hem draaien totdat het mengsel helemaal dezelfde kleur heeft.

5. Stop de betonmolen en voeg het cement en de andere helft van het water toe.

6. Zet de betonmolen weer aan en laat hem opnieuw draaien totdat het mengsel weer helemaal dezelfde kleur heeft. In het algemeen duurt dit tenminste 2 minuten.

7. Test of het beton de goede samenstelling heeft: druk met een trillende beweging met uw schep een paar keer stevig op dezelfde plaats. Sluit het beton goed aan, komt er geen water uit en is het mengsel homogeen, dan is de samenstelling goed.

Let op! De eerste keer dat u de betonmolen vult, moet u iets meer cement en zand aan het mengsel toevoegen, omdat een deel daarvan aan de wand van de trommel blijft plakken. Anders bevat het eerste mengsel relatief teveel grind.

  • Betonvloer op houten vloer

Zoals gezegd, kunt u beton op een houten vloer aanbrengen, maar ook op een andere ondergrond. Die ondergrond moet dan wel sterk genoeg zijn. Als u er niet zeker van bent of de ondergrond sterk genoeg is, kunt u het beste eerst even een deskundige inschakelen.

Op een goed verdichte zandgrond kunt u beton direct aanbrengen, een kruipruimte kunt u vooraf volstorten met vulzand en op stevige grond (anders dan zand) kunt u een onderlaag aanbrengen van een mengsel van puin en zand. Druk dit mengsel goed aan voordat u het beton erop stort.

1. Leg op de houten vloer zwaluwstaartplaten (van verzinkt staal) om de vloer te wapenen en te bekisten. Schuif de zwaluwstaartplaten overlappend (op een balk) in elkaar.

2. Zet de platen met draadnagels vast op de balken.

3. Breng aan de randen van de vloer (waar hij aansluit op de muur) een strook polystyreen van 1 cm dikte aan, even hoog als de betonlaag die u wilt gaan storten.

4. Stort hierna het beton op de zwaluwstaartplaten (tenminste 2 cm, bij voorkeur 4 cm).

5. Gebruik een houten balk als rei, om het beton egaal over de vloer te verdelen. Liggen de zwaluwstaartplaten in de lengte, rei dan in de breedte.

6. Geef de vloer voldoende tijd om te drogen (min. 7 dagen).

7. Werk pas daarna de vloer af met bijvoorbeeld tegels en sluit de aansluiting van vloer op muur met siliconenkit.

  • Nieuwe betonvloer

1. Verwijder zo nodig de oude houten vloer en zaag de balken schuin af (afbeelding 3)

2. Vul de kruipruimte met vulzand tot aan de onderkant van de oude balklaag en stamp dat zorgvuldig aan (afbeelding 4).

3. Leg een laag folie over het zand (om te voorkomen dat later het water uit het beton wegzakt).

4. Leg over de folie een krimpwapeningsnet op betonblokjes van ca. 2 à 3 cm dik (stukgeslagen betontegel) om scheuren tegen te gaan (afbeelding 5).

5. Plaats daar overheen harde isolatieplaten (goed laten aansluiten aan elkaar) van tenminste 5 cm dikte (afbeelding 5).

6. Breng langs de wanden een strook isolatiemateriaal aan (afbeelding 5).

7. Als u ze goed ommantelt met PVC, kunt u nu leidingen voor riolering, elektra en/of gas over de vloer heen leiden. Ze worden dan ‘ingestort’ in het beton.
Let op! Waterleidingen en CV-leidingen mag u niet instorten! U moet die - waar ze uit de vloer komen - ommantelen met een mantelbuis die 1 cm groter in doorsnee is dan de leiding zelf. Dan weet u zeker dat de leidingen ruimte hebben voor het geval ze uitzetten.

8. Stort hierna het beton (minimaal 8 cm dik).

9. Gebruik een houten houten balk als rei, om het beton egaal over de vloer te verdelen (afbeelding 6).

10. Geef de vloer voldoende tijd om te drogen (min. 7 dagen).

11. Werk daarna de vloer pas af en sluit de aansluiting van vloer op muur met siliconenkit.

  • Algemeen

Metselen is het bouwen met stenen en specie. Deze wijze van bouwen geeft een heel scala aan mogelijk-heden: barbeques, binnen- of buitenmuren en -muurtjes, spouwmuren, kleine en grote bouwwerken. Omdat het geen eenvoudige techniek is, adviseren we u eerst een klein project aan te pakken voordat u aan een grote metselklus gaat beginnen.
De specie waarmee u metselt, is een mengsel van cement, metselzand en water. U kunt deze ingrediënten zelf mengen, maar u kunt ook kant-en-klare specie kopen. De stenen die gebruikt worden voor metselwerk zijn meestal bakstenen. De naam zegt het al: bakstenen zijn stenen die gevormd zijn uit klei of uit leem en die gebakken zijn. Ze zijn verkrijgbaar in verschillende soorten, kleuren en maten. Het meest toegepaste formaat is het “Waalformaat”: 21 x 10 x 5 cm. Voor het metselen van een spouwmuur wordt een afwijkende steensoort gebruikt, de zogenaamde kalkzandsteen.

  • Specie aanmaken

De kwaliteit van de specie hangt sterk samen met de mate waarin de materialen gemengd zijn. Hoe beter gemengd, hoe beter en sterker de specie. Kleine hoeveelheden kunt u nog wel met de hand aanmaken, maar hebt u een redelijke hoeveelheid nodig, dan is een betonmolen onmisbaar.

U kunt nagaan of de specie goed van kwaliteit is voor het soort stenen dat u gebruikt, door tussen twee stenen een laagje specie aan te brengen. Als de specie over beide
stenen verdeeld is als u ze na tien minuten van elkaar haalt, is de specie goed. Dit is afhankelijk van het vochtgehalte van de stenen.

  • Met de hand aanmaken

1. Zorg voor een vlakke, schone ondergrond.

2a. Kant en klare specie:
- Schud een deel van de kant-en-klare specie op de ondergrond en maak er in het midden een kuiltje in.
- Giet water in het kuiltje en schep er steeds vanaf de rand specie in.
- Meng de specie steeds goed met het water, totdat het mengsel helemaal dezelfde kleur heeft.

2b. Eigen mengsel:
- Stort eerst het zand op de ondergrond, daarbovenop het cement.
- Schep het zand en het cement van onder naar boven door elkaar totdat het mengsel helemaal dezelfde kleur heeft.
- Maak een kuiltje in het midden en voeg water toe.
- Schep de specie vanaf de rand in het water en schep het mengsel steeds om.
- Voeg steeds een beetje water toe, totdat het mengsel prettig te verwerken is.

Let op! Maak niet meer aan dan u in ongeveer twee uur kunt verwerken!

  • Met de betonmolen

1. Maak de kuip van de betonmolen vooraf goed schoon.

2. Meet de ingrediënten (iedere keer opnieuw) zorgvuldig af en let op de juiste verhouding cement en metselzand.

3. Doe eerst het zand in de betonmolen en daarboven op het cement.

4. Zet de betonmolen in werking. Laat hem draaien totdat het mengsel helemaal dezelfde kleur heeft.

5. Stop de betonmolen en voeg water toe toe.

6. Zet de betonmolen weer aan en laat hem opnieuw draaien totdat het mengsel weer helemaal dezelfde kleur heeft. In het algemeen duurt dit tenminste 2 minuten.

  • Vaktermen

Bij het metselen gaat het niet alleen om de maat van een steen, maar ook om de maat van een voeg. Er worden bij het metselen nogal wat vaktermen gebruikt die met deze maten samenhangen. Hieronder volgt een korte toelichting op die vaktermen, omdat ze van pas komen als u aan de slag gaat.

  • Stootvoeg of lintvoeg

Voegen zijn er zowel in de breedte als in de hoogte. De voegen in de lengte (dus verticaal) noemen we stootvoeg, de voegen in de breedte (dus horizontaal) een lintvoeg. De gemiddelde maat van de stootvoeg en de lintvoeg is 10 tot 12 mm.

  • Stenen

Stenen zijn nooit allemaal hetzelfde van maat. Leg voor het bepalen van de gemiddelde breedte van de steen (de ‘koppen’) 10 stenen naast elkaar en meet hoe breed ze samen zijn. Deel dat getal door 10 en u heeft de gemiddelde breedte. Het bepalen van de dikte van de stenen doet u op een vergelijkbare manier.

  • Lagenlat en koppenlat

Voor het goed uitzetten van de metseldraden, kunt u het beste een lagenlat gebruiken en voor het bepalen van de plaats van de voegen, een koppenlat. Een lagenlat is een lat waarop de lagenmaat is aangegeven: de gemiddelde dikte van de steen + de dikte van de lintvoeg. Een koppenlat is een lat waarop de koppenmaat is aangegeven: de gemiddelde breedte van de steen + de breedte van de stootvoeg.

  • Fundering

Een goede fundering is essentieel, of u nu een klein muurtje of een grote muur gaat metselen.

  • Kleine muur

Voor een klein muurtje kunt u zelf een betonfundering aanbrengen. Reken voor elke laag stenen een centimeter betonfundering en maak de fundering twee maal zo breed als de muur die u gaat metselen.

Hoe u beton maakt, leest u elders in deze DoeHetZó. De bekisting voor de fundering maakt u van een paar planken en paaltjes. Wapen het beton met een paar lengten betonijzer die u los in de betonmortel aanbrengt nadat u de betonmortel gestort hebt. Zorg dat het betonijzer overal tenminste twee centimeter betonmortel om zich heen heeft (afbeelding 9).

  • Grote muur

Voor een grotere of hogere muur is een zwaardere fundering nodig. Wij adviseren u daarbij altijd een deskundige te betrekken.

  • Profielen stellen

1. Is de fundering klaar en goed droog is, gaat u de metselprofielen stellen. Dat zijn balken die het begin en het eind van de muur aangeven die u gaat metselen. Gebruik rechte houten balken die net zo lang zijn als de muur hoog wordt. Om ze te stellen, zet u ze met een spijker vast op een plankje op de fundering (afbeelding 10).

2. Bevestig twee schoren aan het profiel, een in de richting van de muur en een haaks erop. Stel het profiel waterpas en zet de schoren aan de piketpaaltjes vast.

  • Het metselen

Meestal worden muren in een halfsteensverband gemetseld. In een muur in een halfsteensverband liggen de stenen steeds half over elkaar heen; de stootvoeg van de ene steen ligt altijd precies in het midden van de steen eronder en van de steen erboven (afbeelding 11).
U gaat daarbij als volgt te werk.
1. Zet de eerste lagenmaat op de profielen, met behulp van de lagenlat.

2. Span de metseldraad op de lagenmaat, van profiel naar profiel.

3. Breng een gelijkmatige laag specie aan voor de eerste laag stenen.

4. Plaats de eerste steen met de kop tegen het metselprofiel.

5. Beweeg de steen in de specie tot hij gelijk ligt aan de metseldraad.

6. Breng op de kop van de volgende steen een laag specie aan en duw hem tegen de eerste steen. Beweeg daarbij de steen in de specie, zodat de stootvoeg goed met specie gevuld wordt.

7. Leg de volgende stenen van de eerste laag zoals de tweede steen in de specie. Let op: de stenen moeten allemaal exact tegen de metseldraad aan liggen. Ook de achterkant van de muur steeds controleren!

8. Bevestig de metseldraad op de volgende lagenmaat.

9. Breng een gelijkmatige laag specie aan voor de te metselen laag stenen.

10. Plaats als eerste een halve steen, daarna de volgende stenen van deze laag (zie 4 tot en met 7).

11. Leg ook de volgende lagen zoals hierboven beschreven.

  • De hoek om

Omdat de meeste stenen twee maal zo lang als breed zijn, kunt u heel makkelijk de hoek om als u een halfsteensmuur bouwt (afbeelding 12).

  • De bovenkant

Vaak wordt de bovenkant van een halfsteensmuur afgewerkt met een rollaag: een laag waarin de stenen rechtop staan (afbeelding 13).

1. Meng 4 delen zand op 1 deel cement met weinig water om een goede voegmortel te krijgen. U kunt bij Formido in plaats daarvan ook kant-en-klare voegmortel kopen.

2. Maak de muur goed nat.

3. Gebruik eerst een korte voegspijker voor het voegen van de stootvoegen en daarna een lange voegspijker voor het voegen van de lintvoegen (afbeelding 14 en 15). Druk de specie stevig in de voeg en laat de voegspecie goed aansluiten op de metselspecie.

4. Borstel de muur met een droge borstel af als de specie nog zacht is (afbeelding 16).

5. Bevochtig de muur (bijvoorbeeld met een plantenspuit) om een mooi resultaat te krijgen.

  • Betonmolen of mixer huren

Vanzelfsprekend kunt u bij Formido een betonmolen of een mixer huren.

  • Luchtcirculatie

Ook als u een nieuwe vloer legt, moet er lucht kunnen circuleren onder het huis. Dat kan door in het vulzand een pvc-pijp aan te brengen die aansluit op ventilatie-opening naar de volgende ruimte.

  • Draag werkmanshandschoenen

Draag bij het betonstorten werkmanshandschoenen. Dan voorkomt u uitdroging en beschadigingen van de huid.

  • Rechts of links

Rechtshandigen werken het beste van links naar rechts, linkshandigen van rechts naar links.

  • Krom

Leg kromme stenen altijd met de holle kant naar boven.

  • Doormidden

Er zijn verschillende manieren voor het op maat brengen van stenen.
1. Kras de steen rondom in met een brede voegbeitel. Gebruik diezelfde beitel en een hamer om op de kras te tikken totdat de steen breekt.
2. Sla met een sabel (een stalen strip met een een scherpe en een stompe kant) en een kaphamer een groef in de zijkanten van de steen. Leg de steen daarna op uw bovenbeen of de vlakke linkerhand en sla hem met de scherpe kant van de kaphamer met een korte slag doormidden (afbeelding 17 en 18)

  • Hoekverband

U kunt tijdens het metselen al uitsparingen aanbrengen om ooit nog aan deze muur aan te sluiten met nieuw metselwerk. U bouwt de muur dan op zoals hierboven is aangegeven, maar u haalt de eerste steen die u heeft aangebracht er na verloop van tijd uit.

  • Kozijnankers

Om kozijnen aan metselwerk vast te maken, heeft u kozijnankers nodig met een doorsnede van 6 mm. Die metselt u in de lintvoegen mee op de juiste hoogte en op een onderlinge afstand van ongeveer 60 cm. Kozijnankers kunt u ook gebruiken om een muur aan te sluiten op een bestaande muur. U zet ze dan in die bestaande muur vast met pluggen.

  • Regen

Als vers metselwerk bloot staat aan regen, kan de specie eruit lopen. Dek het metselwerk dan ook goed af als u regen verwacht.

  • Zichtwerk

Gaat het om metselwerk dat in het zicht blijft, dan spreken we van schoon metselwerk. In dat geval moet u onmiddellijk de overtollige specie van de stenen halen. Als de specie eenmaal hard is, lukt dat bijna niet meer. Veeg de specie er niet zomaar af, maar haal ongeveer 1,5 cm specie tussen de stenen uit met een voegspijker om een mooi resultaat te krijgen. Borstel de muur tot slot schoon met een harde bezem.

 

 

Informatie over lijm en kit

  • Lijmtechniek

De juiste lijmtechniek is zeker zo belangrijk als de juiste lijm. Voor alle lijmen gelden 3 grondregels, voor sommige 4.

  • Stofvrij

Stof is de doodsvijand van lijm. De lijm hecht zich aan het stof. Maar stof zit los dus kunt u er niets aan vast lijmen.

  • Vetvrij

Lijm hecht niet op een vettig oppervlak. Bedenk: zelfs een vingerafdruk laat vetsporen na. Oppervlakken ontvetten met thinner of spiritus is altijd verstandig.

  • Droog oppervlak

De meeste lijmen hechten niet op een nat of vochtig oppervlak. Uitzonderingen zijn o.a. PUR- en superlijm, die verharden door een chemische reactie met vocht uit de lucht en lijmen op waterbasis.

  • Dunne lijmnaad

Hoe dunner de lijmnaad, des te sterker de verbinding. Dit geldt ook voor z.g. spleetvullende lijmen.

  • Dispersielijmen

De eigenlijke lijm is fijn verdeeld in water. De lijm verhard, doordat het water verdampt, wat alleen kan als een van de oppervlakken poreus is. De lijm is niet waterbestendig en tast metalen aan. Voorbeelden: witte houtlijm, sommige behangplaksels, tegellijm, tapijtlijm.

  • Reactielijm

Lijmen die verharden door chemische reactie tussen twee of meer stoffen waarvan water uit de lucht er een kan zijn. De lijmen zijn absoluut watervast, uiterst sterk en soms spleetvullend. Voor deze lijmen geldt een z.g. open tijd: nadat de reactie is begonnen, is de lijm gedurende beperkte tijd bruikbaar.

Voorbeelden: constructielijm, PUR-lijm, superlijm, epoxylijm. Draag handschoenen, want sommige lijmen reageren ook met huidvocht.

  • Smeltlijm

Een snelle alleslijm die door verwarming smelt en na afkoeling hecht. Zeer breedvtoepassingsgebied, maar niet bestand tegen warmte of zelfs warm water. Wordt altijd gebruikt met een elektrisch lijmpistool. (afbeelding 1)

  • Oplosmiddellijm

De eigenlijke lijm opgelost in een vluchtige stof. Als die verdampt komt de verbinding tot stand. Voorbeeld: huishoudlijm. Een speciale groep vormen de z.g. contactlijmen, met als bekendste Bisonkit en solutie voor het plakken van fietsbanden. De lijm tweezijdig aanbrengen en wachten tot deze nog iets kleeft. Daarna de delen op elkaar brengen en aankloppen met een rubber hamer of walsen met een roller. Voorbeelden: montagekit, elastische tegellijm, leer- en rubberlijm.

  • Butyleenkit

binnenshuis. Overschilderbaar. (afbeelding 2)

  • Acrylaatkit

Een plastisch-elastische kit. Geeft mee, maar neemt de oude vorm weer aan. Geschikt voor naden tussen houtconstructies en metselwerk buitenshuis, werkende naden in wanden, barsten in ramen en kozijnen. Goed overschilderbaar. (afbeelding 3)

  • Siliconenkit

Een elastisch blijvende kit, neemt na vervorming de oude vorm weer aan. Groot hechtvermogen, met name op gladde oppervlakken als glas en tegels. Kies voor voegdichting in keukens en badkamers de schimmelvrije kwaliteit. Voor dichten van kieren tussen houten, metalen of kunststof en metselwerk, waterdichte kabel- of pijpdoorvoeren, dubbel glas en andere “bouwkundige” toepassingen de normale kwaliteit. Niet overschilderbaar. (afbeelding 4)

  • Kitten

Van de talloze kitten die de industrie gebruikt staan er vier bij Formido, ieder met een specifiek gebruiksdoel. Ook voor kitten geldt, dat het oppervlak droog, stof- en vetvrij moet zijn. Ook de vorm van de voeg of barst is belangrijk, omdat kit voornamelijk aan de zijkanten hecht.

(afbeelding 5)
De ideale voeg is nagenoeg net zo diep als breed.

(afbeelding 6)
Bij diepe voegen altijd een rugvulling aanbrengen van bv. polyurethaan schuimband.

(afbeelding 7)
Voeg aan weerszijden afplakken met schilderstape.

(afbeelding 8)
Voeg van boven naar beneden vullen, luchtinsluiting voorkomen.

Lijmt u porselein, aardewerk of glas, “herbouw” het voorwerp dan voorzichtig in een bakje droog zand, waarin het ook steun vindt tijdens het drogen.

  • Tip 1

Klemt u een houtverbinding, gebruik dan altijd twee stukje afvalhout om deuken in het hout te voorkomen.

  • Tip 2

U bereikt optimale hechting van de kit, zeker op een poreus oppervlak, door dit eerst te behandelen met een kit-primer.

  • Tip 3

Dicht u een kier in keuken of badkamer bedenk dan dat het oppervlak zeker vettig is (zeep!). De te dichten kier grondig ontvetten met thinner of spiritus.

  • Tip 4

Algemeen toepasbare plastisch blijvende kit. De kit geeft wel mee, maar veert niet terug. O.a. voor het zetten van enkel glas, naden tussen houtconstructies en metselwerk.